Een chronische wetstrijd
Ik kijk af en toe wat livestreams en soms zit ik echt met open mond te kijken hoe het eraan toegaat. Het begint vaak met iemand die vertelt hoe zwaar het is. Pijn, klachten, niet kunnen werken, afgekeurd thuiszitten. Prima. Dat mag er zijn. Iedereen heeft zijn verhaal.
Maar zodra iemand in de chat zegt: “dat herken ik” of “ik zit ook thuis met klachten”, dan verandert de toon. Dan is het ineens niet hetzelfde. Dan is het minder. Dan wordt er uitgelegd dat díe pijn toch echt anders is. Erger. Zwaarder. Unieker. En omdat het hun livestream is, staat hun verhaal bovenaan. Hun pijn is leidend. De rest moet zich aanpassen.
En daar gaat het mis.
Want als je begrepen wilt worden, heb je lotgenoten nodig. Mensen die snappen hoe het voelt. Maar als je diezelfde lotgenoten meteen kleiner maakt, hun klachten wegwuift of relativeert, dan duw je ze van je af. Dan moet je ook niet verbaasd zijn als mensen op een gegeven moment kortaf reageren of afhaken.
Wat ik zie is een soort wedstrijd. Wie heeft het het zwaarst? Wie mag er bestaan met zijn pijn? Wie niet? Waarom mag de één afgekeurd thuiszitten en de ander moet zich verantwoorden als hij hetzelfde zegt? Alsof er een commissie is die bepaalt of jouw klachten “ernstig genoeg” zijn.
Het punt is: pijn is niet vergelijkbaar. De ene kan meer dragen dan de ander. De ene heeft een hoge pijngrens, de ander een lage. Dat maakt het niet minder echt. Dat maakt het niet minder zwaar voor die persoon. Je kunt pas echt oordelen als je letterlijk in iemands schoenen staat. En dat doet niemand. We lopen hooguit in schoenen die erop lijken.
Ik kan mijn handen niet goed meer gebruiken. Mijn benen werken niet zoals vroeger. Dat is mijn realiteit. Maar ik ga daar niet dag in dag uit over zitten klagen. Ik probeer er iets van te maken. Ik zoek naar wat wél kan. Ik werk met een naaimachine, met een borduurmachine. Geautomatiseerd. Minder belasting. Ik creëer dingen. En juist dat creëren geeft me energie. Positiviteit. Het gevoel dat ik nog steeds iets neerzet.
Waarom maken we er dan een wedstrijd van wat we niet meer kunnen? Waarom wordt het groter gemaakt dan nodig, alleen om erkend te worden? Terwijl je ook kunt zeggen: wat vervelend voor jou. Ik snap je. Zonder er meteen je eigen verhaal overheen te gooien.
Er zijn mensen die weten dat ze nog maar maanden hebben. Die voelen echte, fysieke, slopende pijn. En toch zie je bij hen vaak meer acceptatie, meer dankbaarheid voor wat er nog wél is. Dat zet dingen in perspectief. Niet om andermans pijn weg te zetten, maar om te laten zien dat het geen competitie hoeft te zijn.
Pijn is geen ranglijst. Geen trofee. Geen identiteit.
Je kunt delen wat zwaar is, zonder dat het ten koste gaat van een ander. Je kunt elkaar versterken in wat nog wél kan, in plaats van elkaar te overtroeven in wat kapot is.
Maar zolang we blijven roepen dat onze pijn erger is dan die van een ander, blijven we precies doen wat we zelf zo vervelend vinden: niet luisteren.


